De afgelopen tijd is radikalisme en terrorisme in het Westen een veelbesproken onderwerp. Uit onderzoek blijkt dat met name onder jongeren radikalisme en terrorisme geleidelijk toeneemt. Het westen kan deze ontwikkeling moeilijk begrijpen, gezien het feit dat de jongeren het tegenwoordig financieel redelijk goed hebben en zich bovendien in een stabiele leefomgeving bevinden in vergelijking met hun ouders toendertijd. De meerderheid bezit tevens het staatsburgerschap van het land, derhalve kunnen ze ook gebruikmaken van alle rechten en middelen als elk ander staatsburger.
De vraag met betrekking tot dit onderwerp is dan ook waarom de problemen in Palestina en İrak zo’n groot impact heeft op de persoonlijkheid van deze jongeren en waarom ze richting het terrorisme worden gedreven. Om dit te begrijpen moeten we voorafgaand een vergelijking maken tussen wat de jongeren gekregen hebben van de West Europese landen ten opzichte van wat hun ouders gekregen hebben van het land van herkomst. Hier stuiten we dan op de ‘identiteits’ kwestie.
De identiteit van een individu en samenleving kan als een stam worden gezien. Wat een stam voor een boom betekent, betekent het ook voor een individu en samenleving. İndividuen die problemen met hun oorspronkelijke stam hebben, kunnen met moeite een gezonde identiteit vormen. İndien een stam wordt verlaten en vervolgens wordt overgegaan op een nieuwe volk, cultuur en geloof moet men logischerwijs de nieuwe persoonlijke identiteit op de nieuwe stam bouwen. Met andere woorden, de geest van een mens moet door een sterke bron gevoed worden. Het is moeilijk om het leven vorm te geven als men innerlijk een leegte voelt. Het is dan ook niet verwonderlijk dat die mensen zich tot het uiterste bewegen. Het leven als onzinvol ervaren en het niet kunnen vormen van een sterke identiteit, spelen een grote rol bij radikalisme onder de Diaspora Moslim gemeenschap waar we de laatse tijd steeds vaker mee geconfronteerd worden.
De eerste generatie Moslims hebben toch een sterke band kunnen creëren met het land van herkomst ondanks alle ellende en armoede die ze daar hebben meegemaakt. Ze realiseerden dat ze migranten waren. Het land waar ze naar toe zijn geemigreerd bleef een vreemde land voor hen. Ze konden zich misschien meer identificeren met dit ‘vreemde’ land, echter ze zullen zich altijd bewust zijn van het feit dat ze een Algerijn zijn in Frankrijk en een Marokkaan in Nederland.
Er bevonden zich onder migranten zelfs mensen die de taal van het geemigreerde land nauwelijks konden spreken. Er waren in Duitsland bijvoorbeeld Turken die uitgezonderd in noodzakelijke situaties absoluut niet met Duitsers omgingen. Ze gaven de voorkeur uitsluitend aan het eigen bevolkingsgroep.
Deze groep migranten, die de Duitse taal en cultuur niet genoeg beheersen hadden geen last van enige psychische problemen zoals men vermoedde. Hoogstens missen ze het land van herkomst. Hun getto levenswijze weerhield hen van diepe en verwarde gedachtes. Het was zelfs zo dat de Turkse en Moslim identiteit van deze groep mensen zich in Duitsland juist versterkte.
Er is relatief gezien een grote groep, die zich in het land van herkomst liberaal voelt maar na de immigratie, in een meer conservatieve en nationalistische persoon verandert. Echter deze personen richten zich niet tot geweld zoals men wellicht denkt. Als er geen negatieve voorwaarden tot stand komen blijven ze af van geweld. Ze zijn namelijk bekend met hun eigen situatie en de situatie van het land waarin ze wonen.
Een ander belangrijk punt bij het beschermen van de identiteit van een individu en het gebruik maken van geweld heeft te maken met de macht van het land van herkomst om de ‘Diaspora identiteit’ te laten voortbestaan. İndien het land van herkomst zichzelf ten opzichte van het geemigreerde land vanuit economisch, cultureel en politiek opzicht minderwaardig voelt en moeite heeft om zichzelf te verdedigen, zal dit invloed hebben op de identiteitsproblemen onder de Diaspora individuen en wellicht leiden tot het gebruikmaken van geweld om hun identiteit te kunnen beschermen. Echter het hoeft niet altijd met geweld te eindigen. Bangladezen, Pakistanen en andere oud koloniale volkeren uit Engeland zijn hier een goed voorbeeld van. Het zijn uitzonderlijke passieve en vredelievende mensen.
Samenvattend, in tegenstelling tot wat men denkt, hoeft een sterke band met het land van herkomst geen hindernis te vormen voor een goede band met het geemigreerde land. De Turken woonachtig in Duitsland, die de Duitse taal nog steeds niet beheersen hoeven geen gevaar te vormen voor de veiligheid. De ‘Culturele Muur’ waarmee ze zijn omsingeld kan hen juist beschermen van bepaalde dreigingen en voorkomen dat ze zelf een bedreiging vormen. De schuldpercentages onder de eerste en tweede generatie migranten wijzen hier ook naar. De schuldpercentage onder de Turken in Duitsland, die alleen het Turks beheersen is veel lager in vergelijking met de Turken die de Duitse taal wel beheersen. Bovendien zien we dat de schuldcijfers van de tweede en derde generatie Turken, die nauwelijks of gebrekkig Nederlands spreken geleidelijk toeneemt. Hieruit moet zeker niet worden geconcludeerd dat integratie de hoogte van de schuldcijfers bevordert.
Het probleem waar het hier daadwerkelijk om draait is de ongeorganiseerde en de te snelle integratie. Geemigreerde landen zien de cultuur van de migranten als een belangrijke belemmering voor de integratie en voeren een politiek waarin ze de eigen cultuur van de minderheden proberen af te zwakken en de cultuur van het land te versterken. Als gevolg van deze politiek is de Duitse taal voor de minderheden in Duitsland veel belangrijker dan hun eigen moedertaal. De migranten leren als gevolg hiervan de Duitse taal beter dan hun eigen moedertaal, echter desondanks worden ze toch anders gezien en niet volledig geaccepteerd als een Duitser of een Engelse. Dat kan eigenlijk ook niet van hen verwacht worden. Een Turk kan niet als een ‘goede’ Duitser bestempelt worden puur omdat hij in tegenstelling tot zijn moedertaal de Duitse taal goed beheerst. Wat er van hem verwacht moet worden is dat hij een goede Duitse Turk wordt in plaats van iemand als van Duitse origine. Om dit te bereiken moet men naast de Duitse taal en cultuur uiteraard ook de Turkse taal en cultuur beheersen. Een Turk die zich in eerste instantie niet met zijn eigen cultuur kan identificeren zal logischerwijs ook moeite hebben met zijn Duits-Turkse identiteit.
Een deel van de Duitsers die deze methode verdedigen verstaan onder integratie simpelweg iets anders, namelijk asimilatie. Men moet wel begrijpen dat asimilatie een ontwikkeling is wat niet in een korte tijd verwezenlijkt kan worden. Om die reden moet er op vrijwillige basis een sterke band gecreëerd worden tussen de migranten en het geemigreerde land. De migrant moet, zonder enige verplichtingen te voelen, zich kunnen identificeren met de nieuwe culturele onderwerpen. Ten tijde van deze periode zullen de eigenschappen van het oorspronkelijke cultuur lanzgzamerhand vervagen, echter het zal nooit volledig verdwijnen.
De weg die West Europa op dit moment volgt is erg gevaarlijk. De migranten worden als ‘vreemdeling’ aangekeken. Hoewel ze in tegenstelling tot hun ouders in het geemigreerde land zelf zijn geboren en ze het staatsburgerschap van het land bezitten worden ze toch voor vreemdeling oftewel ‘alien’ aangezien. Hierdoor zien ze de problemen die door hen zijn veroorzaakt of waarvan ze denken dat ze veroorzaakt zullen worden als een probleem van buitenaf.
Met als gevolg dat alles wat met de migranten te maken hebben verdwijnt en daar in de plaats de normen en waarden van het geemigreerde land wordt ingevoerd. Deze gedraging duurt zelfs voort bij de tweede en derde generatie. Ze worden zelfs na drie generaties nog steeds als ‘vreemdeling’ gezien. Om die reden ook kunnen ze het land waarin ze leven niet als hun eigen land zien en voelen ze meer binding met het moederland.
De West Europese landen geven geen gehoor aan de behoeften van jongeren, die nauwelijks nog een band voelen met het cultuur van herkomst. Deze jongeren, die ook moeite hebben om hun moedertaal te kunnen spreken, bezitten tevens niet de mentaliteit van hun ouders, die het eigen cultuur voortdurend hebben geprobeerd te beschermen. Ook hebben ze geen band met de cultuur van het land waarin ze wonen.
İn soortgelijke situaties komen radikale groepen boven water. İmams die geen volledige opleidingen hebben gevolgd beinvloeden vervolgens deze verloren geesten. Het volgen van een soortgelijke, versnelde cursus geloof-natie-demonstratie van enkele maanden zorgt ervoor dat jongeren worden vervult met haat en nijd. Deze jongeren willen meteen actie ondernemen en de bestaande problemen oplossen. De beslissing om geweld te raadplegen is vervolgens gemakkelijk genomen. Om een soortgelijke situatie te vermijden moet het land van herkomst en het geemigreerde land gezamenlijk actie ondernemen. İn eerste instantie moeten de vrijwillige middelen in beide culturen worden versterkt en gezamenlijk aan de Diaspora worden overgelaten.
Het geemigreerde land moet naast het versterken van de eigen taal ook aandacht besteden aan de moedertaal van de migranten. Deze moet niet als een belemmering worden gezien voor de integratie. De tweede taal die men moet leren moet niet als een verplichting worden opgelegd, maar overgelaten worden aan hun eigen keuze. Op deze manier zal het gebrek aan motivatie om de taal te leren verminderen. De geloofskwestie is tevens zeer belangrijk met betrekking tot het vormen van een identiteit en de ontwikkeling ervan. Om die reden moet het Westen de geloofskwestie niet aan zijn lot overlaten. De moskeeën in het Westen ondervinden nauwelijks enige toezicht. Mensen die geen volledige imam-opleiding hebben genoten fungeren daar helaas als imam. De Westerse landen moeten nauwer samenwerken met de betreffende instanties van de geemigreerde landen om vervolgens gezamenlijk projecten te kunnen ontwikkelen om deze situaties te veranderen. Ook hier komen we belangrijke problemen tegen. Met name Duitsland, die de aandacht van Turkije jegens de Turken in Duitsland als een belemmering ziet op zijn soevereiniteit. In het verleden werden de Turken in Duitsland door de Duitse overheid als ‘ Duitse moslim’ bestempeld. De bedoeling hiermee was om de band tussen Turkije en de Turken in Duitsland te verzwakken. Na 11 september is daar verandering in gekomen en vermijden Duitse autoriteiten het woord ‘moslim’. Desalniettemin is de samenwerking met Turkije erg laag.
Kort samenvattend, de Westeuropese landen beschouwen de miljoenen moslims niet als een van hen. Ze zien hen meer als een ‘vreemd’ object. Na 11 september is deze blik een meer vijandige houding gaan innemen en zijn de onderlinge relaties geleidelijk verslechterd. Duitse, Engelse, Franse en een belangrijk deel van de West Europese diplomaten hopen tegenover deze gebeurtenissen op een versnelde asimilatieproces. Echter, een integratieproces gebaseerd op dwang en haast helpt alleen om de oude cultuur ineen te laten storten. Daar tegenover helpt het niet om een nieuwe cultuur vorm te geven.
Met als gevolg dat er een individu ontstaat die zich uiteindelijk noch Turks, noch Duits voelt. De oude, vreedzame identiteit wordt hiermee met de grond gelijk gemaakt. Individuen zonder enige identiteit en bescherming komen oog in oog te staan met politieke en ethische risico’s. Een soortgelijke persoon vormt ook een risico factor voor zijn omgeving.
Een ander gevaarlijke ontwikkeling in dit proces is dat gezinnen uit mekaar vallen. Versnelde en opgedrongen pogingen tot integratie tasten het gezinsleven aan en veroorzaken een kloof tussen enerzijds ouders, die zich nog steeds vastklampen aan het oude cultuur en anderszijds hun kinderen, die zich daar niet meer mee kunnen identificeren. De band tussen de Turkse taal en het kind verslechterd naarmate de kinderen zich voornamelijk onder Duitse of Franse kringen bevinden. Als gevolg hiervan beheersen ze het Turks niet of nauwelijks. De kinderen die in korte tijd zijn omsingeld door een straatcultuur kunnen met bepaalde problemen in aanraking komen waar hun ouders niets tegen kunnen beginnen. De overheden kunnen hier ook weinig tegen doen met als gevolg dat de kinderen van de migranten als het ware aan hun lot worden overgelaten.
Wat men niet moet vergeten is dat integratie gebaseerd is op vrijwilligheid. Overheden die dit proces willen versnellen moeten dat op vrijwillige basis proberen te verwezenlijken. Een ander belangrijk punt is dat we tijd niet kunnen kopen. Misschien dat het proces gedeeltelijk wel versneld kan worden maar als men dat in een te korte tijd wilt verwezenlijken moet men opletten dat het geen averechtse werking zal hebben. Bemoeienissen in identiteitskwesties zorgen meestal voor negatieve reacties. Individuen en gemeenschappen interpreteren elke handeling met betrekking tot hun identiteit als een aanval. Om die reden ook benadrukken we nogmaals dat bij integratie vrijwilligheid erg belangrijk is. Een verandering dat op een vrijwillige manier tot stand komt zal langer voortduren en wellicht zelfs blijvend zijn.
Afsluitend, de migranten in West Europa die zich hebben weten te beschermen van gewelddadige en terreuristische activiteiten hebben dit deels te danken gehad aan de overheden, die migranten als volwaardige burgers hebben geaccepteerd. Deze problemen zullen opgelost worden indien Londen geen onderscheid meer maakt tussen de ‘witte’ Engelsen en de migranten met een Pakistaanse of Hindoestaanse afkomst, de Berlijnse regering de Turken als gelijke Duitse burgers ziet en Frankrijk zijn Noord Afrikaanse burgers als volwaardige Franse burgers accepteerd.
* Translated from English to Dutch by Hilal DORUK (USAK). February 2008